7. Verbeterplan/ ons nieuwe onderwijs (programmatisch toetsen)

Op basis van het voorgaande heeft er een grote herziening (aanpassing) plaatsgevonden in het onderwijs (‘25/’26). Wat ontbrak was een duidelijke beschrijving van het beheersingsniveau van niveau 5, de Associate degree, waardoor niet altijd helder was welk concreet gedrag en welke prestaties worden verwacht.

Daarnaast was er sprake van een inconsistentie in de beoordelingssystematiek. In de handleiding wordt een minimale score van 5,5 genoemd, terwijl de rubric werkt met “behaald” of “niet behaald”. Hierdoor was niet eenduidig hoe het eindcijfer tot stand komt en waar de cesuur ligt, wat de transparantie en voorspelbaarheid van de beoordeling beperkt.
Vanuit toetskundig perspectief is dit goed te koppelen aan de Taxonomie van Bloom. Wanneer het vereiste niveau niet duidelijk is uitgewerkt, blijft onduidelijk of studenten vooral kennis moeten reproduceren, deze moeten toepassen in de praktijk, of ook moeten analyseren en evalueren. Het ontbreken van deze concretisering maakt het lastiger om gericht toe te werken naar het gewenste niveau.

Destijds had, hoe we het nu noemen, werkplekleren een minder prominente rol in het curriculum. Inmiddels is dit beter ingebed/verweven in ons curriculum.


Toetsvisie en verbeterrichting
Toetsing binnen de Associate degree moet zowel authentiek als toetskundig stevig zijn. Studenten moeten in de praktijk laten zien wat zij kunnen, maar beoordeling moet steunen op duidelijke en betrouwbare criteria.
Programmatisch toetsen biedt hierin een passend perspectief: de stage kan worden gezien als onderdeel van een doorlopend ontwikkel- en portfolioproces in plaats van een los eindmoment. Dit vraagt om duidelijke positionering binnen het PLU-systeem en heldere afspraken over formatief en summatief beoordelen.

Wanneer ik een vergelijking trek tussen de oude (23/24 en 24/25) en de nieuwe (25/26) rubric kom ik tot de volgende conclusies, het is namelijk inmiddels een volledig andere situatie. Studenten lopen stage in semester 3 en 4 (jaargang 2).
In plaats van te beoordelen op hetgeen de student heeft gedaan gedurende de stage en daarmee een waardeoordeel te hangen aan hetgeen er is uitgevoerd, tekent de werkveldbegeleider (voorheen stagebegeleider) voor het behalen van de stage en het voldoen aan het aantal uren. Middels een presentatie worden diverse indicatoren getoetst op basis van zelfreflectie. Het gaat hier in geen geval over de inhoud van de documenten, maar om het reflecterende vermogen. Hetgeen is ontwikkeld tijdens de stage dient als bewijslast voor het individuele portfolio wordt er ontwikkeld moet worden gedurende alle semester. In deze fase komt hetgeen ontwikkeld is tijdens stage aanbod, waardoor er geen beoordeling plaatsvindt op de inhoud tijdens het eindgesprek, maar puur op gericht op het persoonlijk professioneel ontwikkelen.

Sowieso wordt er gedurende de leerjaren nog meer (meer dan 3 externe partijen per studiejaar) met externe opdrachtgevers gewerkt. In het huidige curriculum passen we assesment for learning meer en meer toe, in plaats van learning for assesment uit het verleden. Het gaat niet meer persé om toetswijsheid, maar om het vermogen om te leren.


Maak jouw eigen website met JouwWeb